14 - 18 juni 2004: Week van de Loonwijzer

Nieuws in de Week van de Loonwijzer 2004:

Vrouwen breken door in de voedingssector

Veel vrouwen maar weinig moeders in de IT

In vrouwenberoepen relatief lagen lonen. De Geus in de dabat over ongelijk loon met verpleegkundigen

Drie van de tien werknemers werken fors over

Universiteit van Amsterdam wil school maken met onderzoek via internet

 

Vrouwen breken door in de voedingssector

14 juni 2004

In het komende decennium zullen vrouwelijke werknemers in de voedingsindustrie hun mannelijke collega’s overvleugelen. Daarmee is de voedingssector de eerste industrietak in Nederland die het traditionele patroon van typische mannen- en vrouwensectoren zal doorbreken. Dit is vandaag bekend gemaakt door Ella Vogelaar, commissaris van Unilever tijdens een lunchbijeenkomst in de Calvéfabriek van Delft. Zij deed haar voorspelling op grond van het jongste loonwijzer-onderzoek. De loonwijzer is een permanente online salarischeck, plus enquête waaraan inmiddels bijna 80.000 werknemers in Nederland hebben meegedaan.

In het onderzoek is de voedingssector vergeleken met andere industrietakken. In totaal deden bijna 38.000 respondenten mee, werkzaam in de industrie als geheel. Een op de zeven werknemers in de industrie werkt in de voedingssector. Het leeftijdsverschil tussen mannen en vrouwen in de voeding is groot. De meeste mannen zijn 45 plussers. Hoewel de mannelijke werknemers er nu nog de meerderheid vormen, zijn ze binnen tien jaar in de minderheid. Want hun vrouwelijke collega’s zijn meer dan gemiddeld jong, jonger dan in andere industrietakken. Ook hebben de meeste vrouwelijke werknemers in de voeding nog geen kinderen. Maar in de komende jaren dient de kindervraag zich aan, omdat de meeste vrouwen in de voedingssector tussen de 25 en 35 jaar zijn. Willen ze voor de voedingssector behouden blijven, dan is wel extra kinderopvang nodig.

Traditioneel werken vrouwen voornamelijk in de gezondheidszorg, de zorg, in het (basis)onderwijs, de recreatie en horeca, de detailhandel, bij banken en verzekeraars. In de industrie zijn vrouwen zwaar ondervertegenwoordigd. Uit de leeftijdsopbouw en gezinssituaties van de beroepsbevolking in de voedingssector blijkt dat de komende doorbraak van vrouwen structureel is en uniek. In geen enkele andere tak van industrie dient zich een vergelijkbare verschuiving in de samenstelling van de beroepsbevolking aan.

Download voor meer informatie het rapport Werknemers in de voedingsindustrie (PDF, 246kB)

naar boven


Veel vrouwen maar weinig moeders in de IT

15 juni 2004

De zakelijke dienstverlening, inclusief IT, is belangrijk voor vrouwen. Een op de vier werkende vrouwen tot 35 jaar vindt hier een baan. Maar blijkbaar heeft deze sector moeite om jonge moeders aan zich te binden, want er werken in vergelijking met andere sectoren zeer veel vrouwen zonder kinderen. Dit blijkt uit het jongste onderzoek op de loonwijzer dataset. De loonwijzer is een permanent online onderzoek waar bezoekers hun gegevens kunnen achterlaten via de loonwijzer enquête.

De onderzoeksvraag betrof de invloed van kinderen op het loopbaanperspectief van werkende vrouwen. De vraag werd gesteld door Jan Willem van den Braak, directeur sociale zaken van het de werkgeversvereniging VNO/NCW. Hij maakte het nieuws vanmiddag bekend aan werknemers van Shell Pernis. Zoals bekend staat ook Shell voor de keuze om de eigen IT-afdeling in Nederland in te krimpen.

In het algemeen blijkt wel of geen kinderen nemen samen te hangen met opleiding. Negen van de tien hoogopgeleide vrouwen tot 35 jaar is (nog) kinderloos. Ook blijkt, hoe hoger opgeleid de werkende vrouw, hoe groter de kans dat zij dan nog kinderloos is. Van de minder hoog opgeleide vrouwen tot 35 jaar heeft een van de vier al wel een of meer kinderen.

De vrouwvriendelijkheid van een sector kan worden afgelezen aan het aantal werkende vrouwen met kinderen tot 4 jaar. In vergelijking met andere sectoren waar ook relatief veel vrouwen werken, zoals de gezondheidszorg en detailhandel, komen werkende moeders met jonge kinderen in de zakelijke dienstverlening het minste voor. Dat strookt ook met het feit dat deeltijdwerk in de zakelijke dienstverlening nauwelijks en in de andere typische vrouwensectoren juist gebruikelijk is. Bevordering van deeltijdarbeid en kinderopvang in de zakelijke dienstverlening zou erg effectief zijn om vrouwen te laten doorwerken die moederschap en loopbaan met elkaar willen combineren. Als de sector die hoogopgeleide vrouwen voor zich wil behouden.

Het gangbare Nederlandse patroon is dat vrouwen met kinderen tot en met 4 jaar gemiddeld meer dan 10 uur per week korter werken dan vrouwen die nog geen kinderen hebben, namelijk 27,8 uur in vergelijking met 38,3 uur. Het betreft hier arbeidsuren inclusief overwerk. Is het jongste kind eenmaal ouder dan 4 jaar, dan neemt de arbeidstijd gemiddeld weer wat toe.

Bijna een op de vier werkende vrouwen met jonge kinderen tot en met 4 jaar blijkt gebruik te maken van een kinderopvangregeling van hun werkgever. Drie van de vier hebben andere oplossingen gevonden, bijvoorbeeld opvang door opa en oma, of hun partner is thuis als zij werken. De duurste oplossing is zij hun kind naar een kinderdagverblijf brengen zonder tegemoetkoming van hun werkgever.

Dit loonwijzer onderzoek is gedaan onder ruim 5000 werkende vrouwen tot 35 jaar over de periode van januari 2002 tot september 2003.

Download het onderzoek

(Word, 387 kB)

 

naar boven

 

 

In vrouwenberoepen relatief lagen lonen. De Geus in de dabat over ongelijk loon met verpleegkundigen

16 juni 2004

Vandaag om half één ontmoet minister van sociale zaken Aart Jan de Geus verplegend personeel in het Bronovo-ziekenhuis in Den Haag. De minister spreekt en debatteert over ongelijke beloning tussen mannen en vrouwen.

Het loonwijzerteam zocht op verzoek van de minister uit waarom de loonkloof maar niet dicht wil. In het kader van de Week van de Loonwijzer spreken op vijf achtereenvolgende dagen prominenten uit sociaaleconomisch Nederland met werknemers tijdens lunchbijeenkomsten op hun bedrijf.

De loonkloof tussen mannen en vrouwen in Nederland is een hardnekkig verschijnsel. In absolute zin bleef die de laatste zeven jaar even groot. Werken in deeltijd, wat veel vrouwen doen, heeft daar niets mee te maken. Voor de hoogte van het uurloon maakt dat nauwelijks verschil, tenzij het een baantje is van minder dan 12 uur. Dan is het uurloon vaak wél een stuk lager.

Het ligt ook niet aan bewuste discriminatie. Want als mannen en vrouwen in hetzelfde beroep werken met dezelfde ervaring en kwalificaties krijgen ze evenveel betaald. Dit blijvende loonverschil ligt er vooral aan dat vrouwen in andere beroepen en andere sectoren werken dan mannen.

Vrouwen zijn vooral te vinden in de gezondheidszorg, zorg, detailhandel, in het (basis)onderwijs, recreatie en horeca, bij banken en verzekeraars. In deze beroepen en sectoren ligt het beloningsniveau lager (met uitzondering van de zakelijke dienstverlening, waar veel hoogopgeleide vrouwen werken).

Ook in de CAO’s voor vrouwensectoren liggen de loonniveaus relatief laag. De trend om onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden tot een zaak te maken van individuele werkgevers en werknemers, dreigt deze loonkloof nog te vergroten. Verder geven mannen vaker dan vrouwen leiding. En áls vrouwen al een leidinggevende positie hebben, dan hebben zij daar financieel veel minder profijt van dan mannen. Voor vrouwen loont het letterlijk niet om leiding te geven. Ook de loopbaanonderbreking vanwege kinderen pakt voor vrouwen die dit doen financieel negatief uit.

De Stichting Loonwijzer, die deze analyse baseert op de Loonwijzer-dataset (70.000 gegevens), is van mening dat alleen een gerichte inspanning de hardnekkige loonkloof in Nederland kan verkleinen. Opwaardering van de beroepen waarin vrouwen werken is primair een taak van de vakbonden en werkgevers aan de cao-tafel.

De bedrijven zelf kunnen beleid maken gericht op taakverrijking, functiedifferentiatie en grotere kansen op doorstroming van vrouwen uit laagbetaalde beroepen. Om de nadelige effecten van loopbaanonderbreking tegen te gaan, zouden tegelijkertijd individuele vrouwen kunnen worden getraind in onderhandelen en geholpen bewustere keuzes te maken met zicht op de consequenties daarvan op de lange termijn. Alleen als de inspanningen van vakbonden, bedrijven en individuele vrouwen elkaar op deze manier aanvullen, is er kans op verkleining van de loonkloof. De overheid kan deze gewenste ontwikkeling stimuleren en faciliteren.

Download het onderzoek (Word, 453 kB)

naar boven

 

 

Drie van de tien werknemers werken fors over

17 juni 2004

Slechts een op de drie werknemers maakt de uren die in zijn contract staan. Drie van de vijf werknemers maken overuren. De helft van de overwerkers doet dat fors: gemiddeld een tot anderhalf uur per dag. Dit komt al gauw neer op één dag of meer per week erbij, vooral onder mensen die toch al een volle werkweek draaien. De meerderheid van deze harde werkers krijgt zijn overuren niet betaald. Dit zijn tegelijk de mensen die de anonieme loonwijzer enquête het vaakst toevertrouwen dat ze minder uren willen draaien. Blijkbaar zitten ze in beroepen en sectoren waarin overwerken de norm is en klagen taboe.

Dit is vandaag bekend gemaakt door vice-voorzitter Agnes Jongerius van de FNV, tijdens een lunchbijeenkomst in het bedrijfsrestaurant van het NS-hoofdkantoor in Utrecht in het kader van de Week van de Loonwijzer. Van januari 2002 tot september 2003 vulden ruim 24.000 werknemers de loonwijzer enquête in. De resultaten hebben betrekking op hun gegevens. Werknemers in baantjes van minder dan 12 uur telden niet mee in dit jongste loonwijzer onderzoek.

Een op de zeven werknemers werkt tot twee uur per week meer dan volgens zijn contract en nog eens een op de zeven tussen de twee en vier uur meer. Ruim 10 procent werkt 5-6 uur meer, ruim 5 procent 7-8 uur en 13 procent werkt per week 9 uur of meer dan afgesproken in het arbeidscontract. Dus bijna 30 procent, drie op de tien werknemers, werken steevast fors over.

Mensen in deeltijdbanen van 12 tot 30 uur zijn relatief het meest tevreden met hun arbeidstijden. Hoe langer de werkweek hoe minder vaak mensen zeggen tevreden te zijn met hun arbeidsuren. Het is vooral de lengte van de werkweek die tot (on)tevredenheid leidt, meer dan wel of geen overuren draaien. Niettemin, werknemers die onbetaald (moeten) overwerken, willen vaker een vermindering van hun arbeidsuren dan zij die daarvoor wel worden betaald.

Mensen met kleinere deeltijdcontracten maken naar verhouding ook veel overuren, voorzover je daar bij deze groep van kunt spreken. Maar in deze groep komt het naar verhouding ook het meest voor dat er minder uren worden gewerkt dan contractueel vastgelegd. Maar dat komt over de hele linie nauwelijks voor: ruim 4 procent, meestal werknemers die deels in de ziektewet zitten.

Ook blijken de hoogte van het uurloon en de wens om meer of minder uren te maken samen te hangen. Werknemers die minder dan 10 Euro per uur verdienen willen vaker geen vermindering van hun arbeidsuren dan werknemers die meer dan 20 Euro per uur verdienen. Hoe lager het uurloon, hoe vaker uitbreiding van de arbeidsuren wordt gewenst. Ook werknemers met de kleinste contracten willen vaker meer uren.

Download het onderzoek (Word, 313 kB)

naar boven
 

Universiteit van Amsterdam wil school maken met onderzoek via internet

18 juni 2004

Op een recente bijeenkomst van webonderzoekers van de Universiteit van Amsterdam (UvA) is besloten school te maken met dataverzameling via het internet en de ontwikkeling van bijpassende methodologie. De belangstelling voor E-science en van E-survey groeit. Daarom ook zal een onderwijsaanbod worden ontwikkeld om deze nieuwe tak in de onderzoeksmethodologie te doceren.

Het Amsterdams Instituut voor geavanceerde Arbeidsstudies (AIAS) van de UvA, in het bijzonder de onderzoeksgroep Arbeid van ASSR/AIAS, wil hierin het voortouw nemen. Dat verklaarde professor. dr. Jelle Visser, wetenschappelijk directeur van het AIAS, vandaag tegenover studenten en wetenschappelijk medewerkers in een bijeenkomst in de mensa van de UvA. In de sociale wetenschappen is het survey een van de belangrijkste onderzoeksinstrumenten voor dataverzameling en geavanceerde statistische analyse. Maar ze zijn duur, bewerkelijk en het non-respons probleem wordt steeds ernstiger. Sinds de opkomst van internet wordt aan alternatieven gewerkt, aanvankelijk als aanvulling (bijvoorbeeld naast het computergestuurde automatische telephonische interview-CATI), in de toekomst wellicht als alternatief.

De onderzoeksgroep Arbeid (ASSR/AIAS) experimenteert als een der eersten, sinds 2000, met het E-survey via een eigen website:www.loonwijzer.nl. Bijna 75.000 mensen hebben inmiddels de enquête ingevuld, waarmee een rijke dataset is ontstaan. Die wordt en is al gebruikt voor analyses van beloningsverschillen tussen mannen en vrouwen naar etniciteit en leeftijd, van uitbesteding van huishoudelijke taken bij werkende vrouwen, factoren die overwerk beïnvloeden, van pensioenverwachtingen enz.

Recent heeft het AIAS een KP6-subsidie van de EU ontvangen voor een uitbreiding van de loonwijzer naar 8 andere landen, onder de naam WOLIWEB (acroniem voor Work Life Web). Zie voor het project www.wageindicator.org.

Het E-survey staat aan het begin van een ontwikkeling die de komende jaren een grote vlucht zal nemen. DG Research (EU) heeft dit onder meer erkend door al in het 5e Kaderprogramma FP5 een project over Internet surveys (www.WebSM.org) te financieren. Voor de UvA, en het AIAS in het bijzonder, is het om een aantal redenen belangrijk voorop te lopen.

  1. Internet-enquêtering is aanmerkelijk geavanceerder dan papieren of telefonische enquêtering door de mogelijkheid van complexe routes door de vragenlijst, van uitgebreide checks en van vignetten (random voorgelegde keuzemogelijkheden). Deze mogelijkheden zijn nog maar ten dele geëxploreerd en vergen gecontroleerde experimenten.
  2. Internet-enquêtes leveren data tegen een relatief lage prijs. Dat betekent dat niet alleen wetenschappers, maar elk willekeurig individu of organisatie een enquête op internet kan houden. Maar daarbij blijken wel grote verschillen in omvang, kwaliteit en integriteit. Op het internet kan je niemand dwingen mee te doen. Vrijwillige enquêtes spelen een veel grotere rol dan bij traditionele enquêtering. Maar daardoor verliezen gebruikelijke begrippen als steekproefkader, steekproeffractie en responsepercentage hun betekenis. De response bias noopt tot onderzoek om methoden te ontwikkelen om deze bias op te sporen en te corrigeren.
  3. Het Internet biedt nieuwe mogelijkheden om internationaal vergelijkende enquêtes te houden. Maar er bestaat nog te weinig inzicht in sociaal-culturele verschillen tussen landen als het om internet-gebruik (digitale kloof) en – enquêtering gaat.
  4. De interfaces bij Internet-enquêtering moeten verder ontwikkeld worden, met name in het domein van de beeldschermergonomie.
  5. Tenslotte biedt de programmatuur om het bezoek aan een website bij te houden nog ongekende onderzoeksmogelijkheden. Voor Internet-enquêtes wordt het mogelijk te traceren bij welke vraag respondenten vaak ophouden met invullen, hoeveel tijd ze nodig hebben om een vraag of een scherm met vragen in te vullen, enz. Inzicht hierin kan de vraagstelling in internet-enquêtes sterk verbeteren.

In het genoemde WOLIWEB project (www.wageindicator.org) is veel aandacht voor de evaluatie van de methode van web-onderzoek. De komende jaren verschijnen de eerste rapportages, worden verdere onderzoeksplannen ontwikkeld en worden bijdragen aan het onderwijs in de steigers gezet. Van E-science en van E-survey zullen we in de toekomst meer horen.

Download paper E-science en E-survey (Word 54kB)

naar boven

 

loading...