Minister Kamp wil geen sociale rechten voor huishoudelijk personeel (16-06-11)

Minister Kamp wil eigenlijk niets doen om de positie van huishoudelijke personeel in Nederland te verbeteren. Op woensdag 15 juni had de minister van sociale zaken en werkgelegenheid overleg met de Tweede Kamer over dit onderwerp

minister KampMinister Kamp wil eigenlijk niets doen om de positie van huishoudelijke personeel in Nederland te verbeteren. Op woensdag 15 juni had de minister van sociale zaken en werkgelegenheid overleg met de Tweede Kamer over dit onderwerp.

Een dag daarvoor was bekend geworden dat de minister zelfs overwoog om tegen het verdrag over ‘decent work for domestic workers’ te stemmen, waarover in de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) de afgelopen week overeenstemming was bereikt.

De balans opmakend na afloop van het overleg kan geconstateerd worden dat de Tweede Kamer er in geslaagd is minister Kamp een beetje in beweging te krijgen. Niet ten principale, want er is volgens de minister niets mis met de door de Vereniging voor Vrouw en Recht en door de vakbeweging bekritiseerde uitzonderingspositie voor huishoudelijk personeel in het sociaal recht.

Huishoudelijk personeel in allerlei landen buiten Europa zou volgens hem maar wat graag een vergelijkbare positie willen verwerven in het land waar ze werken – en voor hen was een nieuw ILO-verdrag zeker gewenst. Met een kamermeerderheid was de minister uiteindelijk wel van mening dat er een verkeerd signaal uit zou gaan van tegenstemmen (of onthouden van stemming) – zo zou de wereld kunnen denken dat Nederland niet voor decent work for domestic workers is.

Waarschijnlijk zal Nederland donderdag 16 juni instemmen met het verdrag, maar in een stemverklaring uitleggen dat het zelf niet zal ratificeren. Door het ondertekenen of ratificeren zou Nederland instemmen met de verdragsbepaling dat huishoudelijk personeel recht heeft op dezelfde sociale rechten en arbeidsbescherming als andere werknemers, inclusief sociale zekerheid. Terwijl huishoudelijk personeel in Nederland dus niet dezelfde rechten heeft en niet zal krijgen als het aan de minister ligt.

Een kamermeerderheid van VVD, CDA en PVV volgde de minister in deze opvatting. Toch is de minister op aandringen van de oppositie mogelijk bereid om de voorlichting over de werkgeversverplichtingen ten aanzien van huishoudelijk personeel te verbeteren en om te bezien of en hoe de rol van bemiddelingsorganisaties verbeterd kan worden. Dan gaat het dus alleen maar over uitvoering van de bestaande regelgeving. Zes weken loondoorbetaling bij ziekte en in acht nemen van de wettelijke opzegtermijn zou voor veel werksters, alfahulpen en anderen die onder het regime van de regeling Dienstverlening aan Huis vallen al een grote verbetering zijn.

De minister gaat nog in het derde kwartaal van 2011 een brief schrijven aan de Kamer. Daarna beslist de Kamer of ze het overleg met de minister over dit onderwerp wil voortzetten.

loading...